maart 2015

Fietsen leidt tot minder overgewicht

“50% van de Nederlanders is te zwaar, 13% is veel te zwaar”. In 2015 stond hier nog: 
48% van de Nederlanders is te zwaar, 12% is veel te zwaar”. 
Overgewicht is ongezond en obesitas, ernstig overgewicht, wordt zelfs gezien als een gevaar voor de volksgezondheid.  Bewegen en (dus ook) fietsen leidt aantoonbaar tot lager overgewicht. Fietsbeleid is daarmee ook gezondheidsbeleid.

In de periode 2008/2012 had ruim 15% van de jongeren van 4 tot 25 jaar overgewicht. Ruim 3% van de 4- tot 25-jarigen had zelfs ernstig overgewicht (obesitas). Ruim één op vijf kinderen met overgewicht had dus ernstig overgewicht. Dit is een verdubbeling ten opzichte van 1995. Obesitas bij jonge kinderen vergroot de kans op ouderdomsdiabetes (suikerziekte) waardoor ook het risico op dementie toeneemt.

Volgens het RIVM is in Nederland ruim 50% van de volwassenen ‘te zwaar’. ‘Te zwaar’ definieert het RIVM als een Body Mass Index (BMI) boven de 25. Een BMI boven de 30 geldt als extreem overgewicht, of obesitas. Meer dan 13% van de Nederlanders boven de 20 heeft obesitas. In het begin van de 80-er jaren was dat nog maar 5% (zie Figuur 3). Ofwel, het probleem van obesitas is in de afgelopen 30 jaar bijna verdrievoudigd.

Figuur: Ontwikkeling tussen 1981 en 2015 van het aandeel van de bevolking ouder dan 20 jaar dat last heeft van ernstig overgewicht (bron: Zorgatlas en CBS)

De regionale verdeling van obesitas binnen Nederland is weergegeven in Figuur 3. Grote gemeenten als Groningen, Amsterdam en Utrecht kennen (relatief) een laag percentage overgewicht. Het percentage volwassenen met overgewicht is het hoogst in de GGD regio’s Zuid-Holland Zuid, Twente, Drenthe, Zuid-Limburg en Zaanstreek-Waterland
Figuur: Percentage van de bevolking ouder dan 19 jaar op gemeente niveau met overgewicht (bron: Zorgatlas)

Hoe beïnvloedt obesitas de gezondheid?
Overgewicht en ernstig overgewicht kunnen leiden tot verschillende ziekten en aandoeningen. Het risico stijgt naarmate de Body Mass Index (BMI) of de buikomvang toeneemt. Volwassenen met een BMI hoger dan 30 hebben 5-12 keer zoveel kans op suikerziekte, en een 2 tot 4 keer zo hoge kans op hartziekten en een aantal vormen van kanker, dan volwassenen met een normaal gewicht. Recent is geschat dat ongeveer één op de zeven gevallen van hart- en vaatziekten in Nederland toe te schrijven valt aan overgewicht. Andere aandoeningen die in verband staan met (ernstig) overgewicht zijn: aandoeningen van het bewegingsstelsel, aandoeningen van de ademhalingswegen en onvruchtbaarheid.

Het gezondheidsverlies door overgewicht en ongezonde voeding samen is vergelijkbaar met het gezondheidsverlies door roken. Het RIVM berekende dat overgewicht en roken samen verantwoordelijk zijn voor 20 tot 25% van het gezondheidsverlies als gevolg van ongezond gedrag, zoals roken, en ongezonde persoonsgebonden factoren, zoals het wonen aan een drukke weg. Als niemand in Nederland te zwaar zou zijn, dan zou de levensverwachting een half jaar hoger zijn geweest. En als niemand zou roken, dan zou de levensverwachting in Nederland bijna twee jaar hoger zijn geweest.

Het gezondheidsverlies door overgewicht en het eten van ongezonde voeding bedraagt naar schatting 300.000 tot 400.000 DALY’s. Ter vergelijking: het aantal DALY’s als gevolg van verkeersonveiligheid bedraagt in Nederland ongeveer 75.000.

Kritiek op BMI
De BMI lijkt een wetenschappelijk verantwoorde maat voor het al dan niet hebben van onder- of overgewicht. Niets is minder waar. De BMI is circa 200 jaar geleden bedacht door een Belgische wiskundige die geen verstand had van voeding noch gezondheid. Met trial and error heeft hij bedacht dat de formule ‘gewicht gedeeld door lengte in het kwadraat’ de beste resultaten gaf voor zijn onderzoekspopulatie. Er zijn verschillende kritiekpunten op de BMI:
-          de grenzen voor onder- en overgewicht zijn gebaseerd op een relatief inactieve onderzoeksgroep, bij actieve mensen is bij hetzelfde lichaamsgewicht minder vaak sprake van overgewicht dan bij inactieve mensen;
-          buikomvang is een belangrijke indicatie voor daadwerkelijk overgewicht, maar speelt in de formule alleen een indirecte rol en
-          de BMI maakt geen onderscheid tussen botten, spierweefsel en vet, goed getrainde mensen of mensen met zware botten kunnen qua BMI hetzelfde scoren als mensen met veel vetweefsel.
De BMI is een goede maat voor grootschalig bevolkingsonderzoek, voor individuele beoordeling van overgewicht is de BMI veel minder geschikt.

Om overgewicht te meten is het beter om het vetpercentage te meten. Een vetpercentage hoger dan 32% geldt bij vrouwen als overgewicht, bij mannen is dit 25%. Vetpercentage wordt gemeten met een vetpercentagemeter, sommige weegschalen hebben zo’n meter ingebouwd.

Hoe houdt obesitas verband met bewegen?
Uit verschillende onderzoeken (zie Hess en Russell, 2012) blijkt een verband te bestaan tussen de mate waarin mensen bewegen en hun Body Mass Index (BMI). Nog interessanter is dat dezelfde onderzoeken in veel gevallen ook een verband vinden tussen de inrichting van de stedelijke omgeving (o.a. hoge of lage dichtheid) en/of de toegang tot openbaar vervoer en de mate waarin de inwoners bewegen. Er lijkt dus een verband te bestaan tussen ruimtelijke ordenings- en mobiliteitsbeleid en de mate van overgewicht.

Het lastige is dat de wetenschappers het (nog) niet eens zijn over hoe sterk de verbanden zijn en bovendien vinden niet alle onderzoeken significante verbanden.

Het RIVM concludeert op basis van een literatuuronderzoek dat meer lichamelijke activiteit niet per definitie leidt tot minder lichaamsgewicht (Milder et al., 2010). Vaak compenseren mensen meer bewegen met meer voedselinname. Daarnaast kunnen mensen wanneer zij bijvoorbeeld van en naar het werk gaan fietsen, besluiten om ’s avonds niet meer te gaan hardlopen. Effectief beleid gericht op afname van overgewicht, moet zich tegelijkertijd richten op meer bewegen als gezonder/minder eten. Het gaat dan uiteraard niet alleen om meer fietsen maar ook om meer lopen, bijvoorbeeld kinderen naar school laten lopen of lopend naar de supermarkt om de hoek.

Het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen heeft in 2011 geëxperimenteerd met de loopbus waarin een groep kinderen onder begeleiding van ouders of vrijwilligers naar school lopen (zie de Bilt en Rotterdam). Andere interessante voorbeeldprojecten waarin wordt aangezet tot meer bewegen zijn:
-       het schoolvervoerplan Octopusplan;
-       Hounslow Active Travel;
-       Walk to School;
-       Fiets je Fit in Zwolle; en
-       Twee werkdagen op de fiets.

Onder de vlag van het Beter Benutten programma van het ministerie van Infrastructuur en Milieu zijn meerdere projecten te vinden die het gebruik van de fiets, als vervanger van de auto, in het woon-werk verkeer stimuleren. Voorbeelden zijn B-riders, Spitsfietsen  en Trappers .


Leidt meer fietsen tot minder obesitas?
Onderstaande figuur toont in hoeverre het totaal aantal fietskilometers per inwoner in een gemeente afwijkt van het landelijk gemiddelde. Gemiddeld fietst een Nederlander 977  kilometer per jaar (bron: OViN). Maar de verschillen tussen gemeenten zijn groot. In het heuvelachtige Zuid-Limburg ligt het fietsgebruik in alle gemeenten fors onder het gemiddelde, behalve in Maastricht. Opvallend is ook dat in het zuidoosten van de provincie Groningen het fietsgebruik relatief gering is, net als op Flevoland.
Van de vier grote steden scoren Utrecht en Amsterdam boven het gemiddelde. ’s-Gravenhage en vooral Rotterdam en omgeving liggen qua fietsgebruik ver onder het gemiddelde. 
Figuur: Afwijking ten opzichte van het landelijk gemiddeld van het aantal fietskilometers per inwoner per jaar, per gemeente (2010-2015)

Als we het fietsgebruik en aanwezigheid van obesitas vergelijken valt op dat in die gebieden waar men weinig fietst, Zuid Limburg, delen van Drenthe en Flevoland, overgewicht veel meer voorkomt. En andersom ook: waar men relatief veel fietst, Noord-Holland Noord, overgewicht veel minder voorkomt.




Kanttekening is wel dat het aantal fietskilometers komt uit de OViN enquête en dus zeker voor minder grote gemeenten grote onnauwkeurigheden vertoond. Het OViN is bedoeld voor uitspraken op landelijk nivo. Grosso modo lijkt er echter wel een verband te bestaan.

Tabel 1a toont de vijf gemeenten, groter dan 50.000 inwoners, waar men het meest fietst, en de vijf gemeenten waar men het minst fietst. Inwoners van Groningen fietsen bijna een factor 4 meer dan inwoners van Heerlen. En ook in de gemeenten Katwijk, Almaar Woerden en Leiden fietsen de inwoners relatief veel: 40% meer dan de gemiddelde Nederlander.


De vijf gemeenten, groter dan 50.000 inwoners, waar het meest en het minst wordt gefietst (in fietskilometers per inwoner per jaar)  Bron: OViN 2010-2015

Top 5 gemeenten > 50.000 inwoners waar het meest wordt gefietst

Top 5 gemeenten > 50.000 inwoners waar het minst wordt gefietst
Gemeente
Fietskm.
Lopen & Fietsen
Gemeente
Fietskm.
Lopen & fietsen
Groningen
1522
1794
Heerlen
399
739
Katwijk
1417
1737
Almere
617
933
Alkmaar
1322
1574
Sittard-Geleen
637
943
Woerden
1309
1564
Purmerend
666
1082
Leiden
1308
1599
Vlaardingen
694
887
Gem NL
977
1253
Gem NL
977
1253

Ook in de categorie gemeenten 100.000+ inwoners scoort de stad Groningen het best. Relatief weinig wordt er gefietst in Almere, Rotterdam, Arnhem, ’s-Gravenhage en Zaanstad:

De vijf gemeenten, groter dan 100.000 inwoners, waar het meest en het minst wordt gefietst (in fietskilometers per inwoner per jaar)  Bron: OViN 2010-2015

Top 5 gemeenten > 100.000 inwoners waar het meest wordt gefietst

Top 5 gemeenten > 100.000 inwoners waar het minst wordt gefietst
Gemeente
Fietskm
Lopen & Fietsen
Gemeente
Fietskm
Lopen & Fietsen
Groningen
1522
1794
Almere
617
933
Alkmaar
1322
1574
Rotterdam
744
1119
Leiden
1308
1599
Arnhem
776
1110
Zwolle
1299
1589
's-Gravenhage
805
1177
Delft
1266
1587
Zaanstad
827
1037
Gem NL
977
1253
Gem NL
977
1253

Onderstaande tabellen met data voor de periode 2002-2008 en 2010-2013 laat zien dat destijds Zwolle en Groningen ook in de top 5 stonden van gemeenten waar het meest gefietst wordt. En bij de gemeenten die het minst fietsen, was Heerlen destijds ook al koploper. Dit laat zien dat het niet eenvoudig is om in een periode van enkele jaren het fietsgebruik te veranderen. 



Top 5 gemeenten > 50.000 inwoners
waar het meest wordt gefietst
Top 5 gemeenten > 50.000 inwoners
waar het minst wordt gefietst
Zwolle
1295
Heerlen
393
Doetinchem
1265
Lelystad
486
Hengelo
1246
Rotterdam
555
Amersfoort
1244
Vlaardingen
636
Groningen
1241
Helmond
645

Tabel  De vijf gemeenten, groter dan 50.000 inwoners, waar het meest en het minst wordt gefietst (in kilometer per inwoner per jaar) Bron: MON 2002-2008


Top 5 gemeenten > 50.000 inwoners
waar het meest wordt gefietst
Top 5 gemeenten > 50.000 inwoners
waar het minst wordt gefietst
Leiden
1.459
Heerlen
391
Groningen
1.426
Capelle aan den IJssel
589
Zwolle
1.316
Sittard-Geleen
623
Alkmaar
1.229
Almere
640
Enschede
1.207
Schiedam
663

Tabel 1a De vijf gemeenten, groter dan 50.000 inwoners, waar het meest en het minst wordt gefietst (in fietskilometers per inwoner per jaar) Bron: OViN 2010-2013


Tenslotte zijn in figuur 6 het percentage overgewicht en het aantal fietskilometers per inwoner tegen elkaar uitgezet. Daaruit komt naar voren dat er op gemeentelijk niveau een (licht) verband is tussen meer fietsen en een lager percentage overgewicht. Gemeenten met een laag percentage overgewicht zijn Wageningen, Oegstgeest en Groningen. Gemeenten met een hoog percentage overgewicht zijn Rijnwaarden, Rozendaal en Zevenaar. Bedacht moet worden dat naast bewegen nog andere factoren van invloed zijn op het percentage overgewicht, zoals: demografische en sociaaleconomische samenstelling.

Figuur 6 Gemiddeld aantal fietskilometers per inwoner (2010-2013) versus het percentage overgewicht (2012), per gemeente Bron: OViN en CBS Statline

Hoewel deze grafiek geen oorzakelijk verband aantoont geeft het Fietsberaad wel de volgende indicatie:
  • Bij 10 procent meer fietsgebruik daalt het percentage inwoners met bewegingsarmoede met 1,5 procent-punten. Dit wordt bereikt als een gemiddelde inwoner per dag 1 minuut en 15 seconden langer op de fiets zit.
Fietsen en lopen leveren ook de meeste voldoening van de verschillende vervoermiddelen (zie Prestaties van vervoerwijzen).

Relevante websites en literatuur




1 opmerking: